verliet
Uiterlijk
- ver·liet
| vervoeging van |
|---|
| verlaten |
verliet
- enkelvoud verleden tijd van verlaten
- Ik verliet.
- Jij verliet.
- Hij, zij, het verliet.
- Ik verliet.
- ▸ Deze Casa de Luna kon ik blijkbaar niet overslaan, dus verliet ik de trail alweer en stak mijn duim op in de hoop een lift te krijgen.[1]
- ▸ ' En hierop bleef hij het antwoord schuldig en verliet de zuurkamer.[2]
- ▸ Na de kruisiging verliet hij het Midden-Oosten om het christendom naar het westen te brengen.[3]
- Het woord verliet staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "verliet" herkend door:
| 90 % | van de Nederlanders; |
| 86 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- ↑ “De tranen der acacia's”
(1949), G.A. van Oorschot
, ISBN 9789028242364 - ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be