Naar inhoud springen

dun

Uit WikiWoordenboek
  • dun
  • In de betekenis van ‘niet dik, smal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen dundunnerdunst
verbogen dunnedunneredunste
partitief dunsdunners-

dun

  1. (v.h. menselijk lichaam) slechts weinig vet bevattend, mager [1], schraal
    • De jonge vrouw was nog heel dun. 
  2. (van stoffen) van geringe dikte
     Dit bestond niet, zoals gebruikelijk, uit een of twee, maar uit vier dubbelzijdige wasvellen, elk gevat in een dun lijstje van beukenhout, dat zodanig scharnierde dat ik ze over elkaar kon opvouwen en dichtknippen.[2]
     Er viel een dun strookje papier uit dat op de grond dwarrelde.[3]
     Het was een ijskoude nacht en ik werd meerdere malen bibberend wakker. Verbaasd zag ik de volgende ochtend dat er een dun laagje ijs op mijn tent lag.[4]
  3. (van vloeistoffen) vloeibaarder dan zou moeten
    • De soep was veel te dun omdat er teveel water bij was gedaan. 
  4. (van haar op het menselijk lichaam, m.n. hoofdhaar) als er veel ruimte zit tussen de verschillende haren
    • De man van middelbare leeftijd had reeds dun haar, maar kaal was hij nog niet. 
  5. (figuurlijk) weinig steekhoudend of overtuigend, zwak
    • Het geleverde bewijs was te dun. 
  6. dun gekleed: dunne, luchtige kleding dragen
     Ik ben te dun gekleed, met mijn sandalen en mijn korte, katoenen zomerjurk.[5]
  7. (figuurlijk) met een geringe omvang
     Nu voelt ze alleen nog warmte, zweet en een bepaalde klamheid, een dun schilletje van schaamte.[6]

[2]

  • Het ijs is nog te dun.
De omstandigheden om iets te gaan ondernemen, uit te proberen e.d. moeten eerst nog gunstig genoeg worden
  • Iets [nog eens] dunnetjes overdoen
Iets nog eens opnieuw proberen
vervoeging van
dunnen

dun

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dunnen
    • Ik dun. 
  2. gebiedende wijs van dunnen
    • Dun! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dunnen
    • Dun je? 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[7]
  1. "dun" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. “Imperium” (2006), Cargo, ISBN 9023420535
  3. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Lynn Berger
    “De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
  6. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • dun

dun m/v / o

  1. (dierkunde) donsveer.
  2. dons
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   dun     duna
dunen
dunet  
  dun     dunene
duna  
genitief   duns     dunas
dunens
dunets  
  duns     dunenes
dunas  
  • dun

dun v/o

  1. (dierkunde) donsveer.
  2. dons
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   dun     dunet,
duna  
  dun,
duner  
  duna,
dunane  
genitief